Bijsluiter Autismepaspoort

Klik hier om de bijsluiter van het Autismepaspoort in PDF formaat te downloaden

De kleuren op het autismepaspoort/ Ondersteuningsbehoefte:
In mei 2014 is de DSM 5 uitgekomen, het diagnostisch handboek waarmee stoornissen worden vastgesteld. Autisme wordt hierin omschreven als een ‘stoornis in het autistisch spectrum’. Dit betekent dat niet ieder kind met autisme dezelfde kenmerken heeft, en dat de hoeveelheid ‘last’, en de hoeveelheid hulp die een kind per kenmerk (nodig) heeft kan verschillen. Dit is de basis van het autismepaspoort.

In het onderwijs wordt vooral gekeken naar de mate/hoeveelheid hulp die een kind nodig heeft om het onderwijs te kunnen volgen. Dit heet ondersteuningsbehoefte. In het hele paspoort wordt de ondersteuningsbehoefte per (onderdeel van een) kenmerk met kleuren aangegeven: van blauw (geen) naar rood (zeer intensief), zodat betrokkenen in één oogopslag kunnen zien waar van hen uit aandacht nodig is.

I. Algemene gegevens
Hier is ruimte voor zakelijke en praktische informatie over de persoon waar het paspoort voor gemaakt is. In het vak ‘belangrijke informatie’ komt alleen informatie die de omgeving direct moet weten in het kader van veiligheid en welbevinden.

II. Specifieke kenmerken van autisme
Autisme is niet iets wat overgaat, of wat je met een beetje ‘duidelijkheid’ af kunt leren, het is een stoornis, een daadwerkelijk anders beleven, en het is belangrijk dat de omgeving van een kind weet heeft van de kenmerken van autisme zoals die voor het kind gelden. Hoe specifieker de informatie, hoe meer de omgeving in staat zal zijn om hierbij aan te sluiten.

III. Zintuiglijke waarneming
De zintuiglijke waarneming bestaat uit het binnenkomen en verwerken van zintuiglijke prikkels. Als deze waar-neming anders verloopt, ervaar je dus ook een andere wereld. Veel gedrag dat je ziet (het topje van de ijsberg, boven de waterspiegel) komt voort uit de prikkels die anders verwerkt worden (onder de waterspiegel). Als je weet hebt van de zintuiglijke waarneming van een kind, kun je de omgeving aanpassen om zo tegemoet te ko-men aan de zintuiglijke behoeften die dit kind heeft. Veel stress kan voorkomen worden als er rekening gehou-den wordt met het zintuiglijk profiel!
Het schema op het paspoort is een uitslag van een test van 232 vragen, waar stellingen over onder- en overge-voeligheden beantwoord zijn.
Alle stellingen die voor het kind met ‘ja’ beantwoord zijn, worden als bijlage mee geprint met het autismepaspoort.
De onderdelen ‘proprioceptie’ en ‘vestibulair’ zijn niet iedereen bekend, maar wél vaak van grote invloed op het waarnemen van kinderen met autisme.
Proprioceptie wordt waargenomen vanuit je spieren en gewrichten. Het laat ons weten in wat voor houding we ons bevinden, hoe we bewegen en hoeveel druk we ervaren. Denk aan de drukvesten die soms ingezet worden om rust te geven. Vestibulair is het zintuig waarmee we voelen waar ons hoofd is ten opzichte van de ruimte. Het is het ‘voelen’ van beweging, dus ook je evenwicht, maar ook of je snel of langzaam beweegt. Schommelen geeft bijvoorbeeld een vestibulaire prikkel.

IV. Kenmerken van het denken
Om de wereld om je heen te begrijpen gebruik je je denken, je cognitie. In het denken van kinderen met autisme spelen drie belangrijke cognitieve processen. Deze werken anders, of ontwikkelen zich trager, dan bij kinderen zonder autisme.

TOM – Theory of Mind
Dit is het vermogen om gedachten, geloof en bedoelingen aan jezelf en een ander toe te schrijven. Kort gezegd: Het kunnen ‘inleven’ in een ander (en jezelf!).

CC- Centrale Coherentie
Dit heeft te maken met het kunnen zien van een context. Kinderen met autisme zijn sterk op details gericht en hebben moeite met het samenvoegen (puzzelen) van prikkels tot een beteke-nisvol geheel. De CC zorgt ook voor het kunnen maken van een transfer; wat je op de ene plek/ bij het ene vak geleerd hebt, op een andere plek kunnen toepassen. Ook je aandacht kunnen verleggen/ kunnen stoppen met een taak (attention shifting) heeft te maken met de CC.

EF- Executieve Functies
Dit zijn de uitvoerende functies die te maken hebben met het reguleren en plannen van je gedrag. Op school wordt er veel gevraagd van dit vermogen in het kunnen overzien en plannen van je (huis)werk, maar ook het je kunnen handhaven in een groep, je weg vinden in een gebouw etc.

V. De cognitieve ontwikkeling
Het spreekt voor zich dat het belangrijk is het cognitieve niveau van een kind in beeld te hebben als je met dit kind gaat werken of spelen. Echter, juist in situaties waarin een overdracht niet gebruikelijk is (of waar daar geen tijd voor is), is het fijn als dit ergens makkelijk en up-to-date terug te vinden is.

VI. Communicatie
Communiceren is noodzakelijk om je behoeften uit te drukken, maar ook om tot expressie te komen. Als je niet begrijpt, ‘verstaat’ wat er om je heen gebeurt, of als anderen jou niet ‘verstaan’, kan dit leiden tot onbe-hagen of gedragsproblemen. Kinderen met autisme spreken vaak een ‘andere’ taal. Zij hebben moeite met non-verbale communicatie, maar ook met bijvoorbeeld figuurlijk taalgebruik. Mensen met autisme hebben moeite zich dingen voor te stellen. Gesproken woorden echter verdwijnen zodra ze gezegd zijn. Beelden kun je zien en nog eens terugkijken. In het autismepaspoort worden de volgende aspecten van communicatie in beeld gebracht;

Niveau van communiceren:
Er zijn vier niveaus waarop mensen kunnen communiceren. Het is belangrijk deze niveaus te kennen omdat het bijvoorbeeld van invloed is op de manier van verduidelijken die je kunt gebruiken.

Sensatieniveau : Een persoon neemt waar en communiceert vooral met behulp van zijn of haar zintuigen: voelen, ruiken, huilen, lachen. Hij/zij heeft geen inzicht in verwijzers, dingen hebben alleen betekenis als ze in de situatie zelf aanwezig zijn. Communicatie is gericht op directe bevrediging van behoeften.

Presentatieniveau : Een persoon kan vorm en inhoud met elkaar verbinden. Een voorwerp kan een sig-naal zijn om iets te gaan doen. Een beker met limonade erin, betekent limonade drinken. Maar dit kan dus geen signaal zijn voor drinkpauze, of iets anders drinken dan melk.

Representatieniveau : Informatie kan gegeven worden in afgesproken ‘codes’. Een foto van een bal bete-kent dat we gaan sporten. Dit vereist dus enig voorstellingsvermogen. Iemand moet in staat zijn zich voor te stellen dat een voorwerp of plaats verwijst naar iets anders dan wat er concreet te zien is.

Meta-representatieniveau : Een persoon begrijpt de betekenis die áchter woorden ligt, en kan deze infor-matie gebruiken. Hij /zij kan ironie, humor en mimiek gebruiken, en spreekwoorden begrijpen. Hij/zij kan bewust gebruik maken van de toon van zijn/haar stem.

Ondersteuningsbehoefte bij verbaal uitdrukken:
Sommige kinderen hebben juist in het kunnen vertéllen wat ze dwars zit, wat ze nodig hebben, of juist wat ze leuk vinden, een ondersteuningsbehoefte. Dit kan extra frustratie opleveren, die soms voorkomen of vermin-derd kan worden als de omgeving hier rekening mee kan houden en/of een alternatief aan kan bieden. Denk bijvoorbeeld aan een opschrijfboekje of een tablet.

Begeleidingsstijl:
Ook, en juist bij kinderen met autisme is het niet alleen belangrijk wát je zegt, maar vooral ook hoé je dit zegt. Waar het ene kind veel beter functioneert als hij/zij met humor, of op een betrokken manier wordt aan-gesproken, heeft een ander meer behoefte aan een neutrale begeleiding op afstand.

Dagprogramma:
Veel kinderen met autisme missen het overzicht in de dagelijkse structuren zoals anderen die ‘vanzelf’ zien. Zij kunnen dan veel baat hebben bij een dagprogramma, of een andere stappenplan over ‘hoe de dingen ge-daan moeten worden’. Ook de manier waarop een dergelijke ‘visualisatie’ er uit moet zien, is voor ieder kind anders. Sommige kin-deren hebben baat bij eenvoudige pictogrammen, waar andere kinderen veel beter de informatie dmv foto’s tot zich kunnen nemen. Dit heeft ook te maken met het eerder genoemde communicatieniveau.

VII. Protectieve eigenschappen
Protectieve eigenschappen zijn positieve eigenschappen van een kind die inzetbaar zijn om het leren of leven makkelijker te maken. Bij autisme ‘horen’ een aantal eigenschappen die als protectief ingezet kunnen wor-den. Bijvoorbeeld: ‘Een goed geheugen hebben voor beelden (plaatjes) ‘, of ‘zich strikt aan regels houden’. Uiteraard geldt ook hier: Niet alle kinderen met autisme hebben deze eigenschappen, maar het loont de moeite om op zoek te gaan naar die specifieke eigenschappen die ingezet kunnen worden om het leven ge-makkelijker te maken.

VIII. Emotionele ontwikkeling
De emotionele ontwikkeling bestaat uit verschillende onderdelen. Er wordt steeds meer duidelijk over de an-ders, en soms vertraagd, verlopende emotionele ontwikkeling bij kinderen met autisme. Tussen de verschil-lende onderdelen kunnen grote verschillen in ontwikkeling voorkomen.
Het kan dus heel goed zijn dat een kind op veel gebieden ‘leeftijdsadequaat gedrag’ vertoont, maar dat er op een aantal gebieden een vertraagde ontwikkeling is. Als de omgeving hier rekening mee kan houden of, beter nog, op aan kan sluiten, voorkomt dit problemen en kan dit zelfs zorgen dat een kind de achterstand in kan lopen. Het beschrijven van deze ontwikkelingsgebieden kan ervoor zorgen dat de omgeving van het kind zijn soms moeilijke gedrag eerder zal zien als een tekortkoming, als iets waar het kind (nog) hulp bij nodig heeft, als een onwil of ‘ongehoorzamen’ van dit kind.

IX. Spanning en ontspanning
Dit onderdeel is onder te verdelen in negatieve en positieve emoties, waarbij de positieve emoties ingezet kunnen worden om de negatieve te verzachten. De volgende onderdelen worden behandeld:

Dit geeft spanning
Soms geven hele kleine, voor de omgeving onbelangrijk zijnde zaken al spanning bij een kind. Door dit vooraf te weten, kun je spanning voorkomen. Voorbeelden zijn: Verandering van het dagprogramma zonder duidelij-ke reden; als er met stemverheffing gesproken wordt of te moeilijk cognitief werk.

Signalen van spanning
De signalen dat er spanning is, zijn voor de omgeving niet altijd meteen duidelijk. Achteraf echter, na een es-calatie, weet vaak iedereen wel dat ‘het er al aan zat te komen’. Als je deze signalen duidelijk hebt, kun je eer-der ontspannende of de-escalerende activiteiten aanbieden. Denk hierbij aan ‘rode vlekken in de nek’ , vaker opstaan van de stoel of veel uitleg vragen; de kleine, éérste signalen dat er spanning opgebouwd wordt.

Angsten
Iedereen heeft dingen waar hij bang voor is. Kinderen met autisme zijn echter nog gevoeliger voor angst om-dat zij de wereld vaak niet begrijpen en verbanden anders leggen. Hierdoor kunnen veel onverwachte dingen spannend zijn. Het is belangrijk hier als omgeving rekening mee te houden. Denk aan onweer, water of hon-den.

Eerste reactie op angst
Iedereen heeft een andere eerste (primaire) reactie op angst. De één rent meteen weg, of loopt een blokje om (vluchten), de ander gaat meteen in de verdediging/aanval (vechten), dit kan fysiek of verbaal zijn. De derde mogelijkheid is ‘bevriezen’, dit zijn de kinderen die letterlijk verstarren en niets meer kunnen doen om de angst (of de gevaarlijke situatie) te bestrijden. Het is belangrijk deze primaire reactie te weten, omdat dit een grote rol speelt in groepsprocessen en het omgaan met conflicten (zowel in zichzelf als met een ander). Iedere reactie vraagt daarnaast een andere begeleiding. Ook het besef dat veel gedrag dat je ziet (bijvoorbeeld vechten) veroorzaakt wordt door angst in plaats van boosheid of agressiviteit, zoals het soms wel lijkt, kan gevolgen hebben voor benadering en begeleiding.

Signaleringsplan
Op veel scholen zijn voor leerlingen met ‘moeilijk verstaanbaar gedrag’ signaleringsplannen geschreven. In zo’n plan staat heel precies beschreven wat de signalen van spanning zijn, en wat de omgeving kan doen om hier verandering in te brengen. Ook kun je in zo’n plan goed lezen wat je van een kind kunt vragen in opeen-volgende fasen van spanningsopbouw.
Ontspannende activiteiten
Wat voor de één ontspanning oplevert, kan voor de ander juist spanning opleveren (denk alleen al aan buiten spelen). Daarom is er in het autismepaspoort een onderdeel voor ‘ontspannende activiteiten’ opgenomen. Deze activiteiten kunnen, eenmaal bekend, ook bewust ingezet worden als er spanning opbouwt. Voorbeel-den kunnen zijn: Een rondje lopen, klusje doen, schommelen of muziek luisteren.

Interesses
Een van de kenmerken van autisme is het hebben van pre-occupaties of ‘fieps’; hele sterke interesses in be-paalde onderwerpen of handelingen. Als je weet hebt van deze interesses, heb je niet alleen een insteek voor leren en ontspannen, maar ook een ingang voor contact.